door Sybren Gerlofsma
Van de ooit aan nederzettingen, verbindingswegen, wateren en andere landschapselementen gegeven namen is de betekenis vaak niet meer algemeen bekend. Toch kunnen deze ons iets vertellen over de omgeving tijdens het ontstaan van die naam. In combinatie met gegevens uit bronnen en bodemvondsten dragen ze bij tot meer inzicht in de ontwikkeling van de streek in de loop van de tijd. Deze aflevering gaat over de oudste straat(naam) in de omgeving en over de oorsprong van de begrippen straat en steeg.
Oudestraat
In deze streek zal rond het jaar 1100 vervoer vooral over water zijn gegaan. De verbindingsweg over land liep ongetwijfeld langs de natuurlijke hoogten met daarop Zwolle, Westenholte, Wilsum, Oosterholt en IJsselmuiden. Aan de andere zijde van de IJssel, waar vóór 1170 geen bewoning aantoonbaar is, zullen jagers en vissers wellicht gebruik hebben gemaakt van de hoogwaterlijn langs de IJssel, waar een oeverpad was ontstaan.
Sporen van dit oeverpad vinden we terug in het verloop van de Oudestraat. Bij de stichting van Kampen, werd dit oeverpad ter plekke opgewaardeerd tot weg. Later, toen een deel van de dubbelnederzetting Kampen werd voorzien van omwalling en stadsmuren, kreeg het wegdeel 'binnen de veste' terecht de naam Oudestraat, omdat dit deel van het voormalige oeverpad de straat met de oudste papieren was. Wegen binnen de stadmuren werden voorzien van een laag verhardingsmateriaal en 'straat' genoemd. Dit woord is afkomstig van het Latijnse 'strata', dat ooit duidde op een geplaveide weg voor (snelle) verplaatsing van een (militair) leger. Het woord 'strateeg' is daarom verwant met 'straat'.
Over de Oudestraat bestaan veel misvattingen. Zo zou deze straat zijn aangelegd als dijk op een oeverwal. Deze bewering is onjuist. Bodemonderzoek heeft uitgewezen dat er van een oeverwal onder de binnenstad geen sprake is, terwijl de Oudestraat pas rond 1300 een waterkerende functie kreeg in een dijkring, waarvan ook de Zwartendijk deel uitmaakte.
Dijken en stegen
De Oudestraat ligt ongetwijfeld hoger dan de rest van de binnenstad. Nog steeds laten geboren Kampenaren weten dat ze lopen 'op' de Oudestraat en 'in' de Voorstraat. Bij de stichting van Kampen werden woonterpen langs de latere Oudestraat opgeworpen tegen hoog water. Het spreekt voor zich dat deze oeverweg werd opgehoogd tot het niveau van aanliggende huisterpen. De in de middeleeuwen gangbare naam voor een woonterp was 'dike', dat met het Franse 'digue' afkomstig is van het Engelse werkwoord 'digg' (= graven).
Op enkele plaatsen tussen deze 'diken' werden zijwegen aangelegd. Deze werden 'steeg' genoemd, omdat ze in hoogte stijgen tot het niveau van de Oudestraat.
Ook buiten de stad vinden we stegen, met name in de polder Mastenbroek. We noemen de Dijkersteeg en Rietsteeg ten oosten van Grafhorst, de Bosjessteeg bij Oosterholt, de Steeg bij Wilsum en de Breesteeg bij 's-Heerenbroek. Het licht stijgende karakter van het land is te zien aan de waterschotten (ministuwen) in de weteringen langs deze stegen. Aan de andere zijde van de IJssel kennen we bij Zalk nog de Broeksteeg.
Het oorspronkelijke kenmerk van een steeg is dus niet de geringe breedte of de ligging binnen een stad, maar het stijgend karakter ervan.
VRAGEN EN REACTIES
Reageren kan rechtstreeks bij de schrijver via syger.div@gmail.com

