(door Marcel Kalter)
Als ik naar het uiterlijk van de mannelijke tieners kijk, is het een grote eenheidsworst. De haren zijn voornamelijk kort geknipt, soms met een randje als finishing touch. En ook op school doet vijfennegentig procent driftig met de mode mee. Want het is belangrijk om niet te veel uit de toon te vallen. Dat was in mijn tienerjaren wel anders. Een beetje generaliserend kon je de jongens toen indelen in twee groepen: de heavy’s en de kakkers.
Om er een beeld bij te krijgen, geef ik van beide groepen een korte omschrijving. De heavy’s hadden een matje in de nek, droegen (te) strakke spijkerbroeken, zwarte T-shirts met de opdruk van een hardrockband en daaroverheen een zwarte of bruine leren jas. De kakkers hadden de haren netjes in de plooi, droegen soms een paar poloshirts over elkaar heen met de kraagjes omhoog en zagen zichzelf graag rondlopen in een felgekleurde jas. De voormalige Buitenwacht was het domein van de heavy’s en de kakkers waren te vinden in Club 48, die destijds onder de Stadsherberg was gevestigd. Dat betekende niet dat de kakkers niet in de Buitenwacht kwamen. Maar als ze er wel eens een avondje wilden vertoeven, kon je wachten op de eerste vechtpartij. Het boterde ook niet zo goed tussen de heavy’s uit Kampen en IJsselmuiden. Het was wat dat betreft altijd spannend om in de Buitenwacht uit te gaan. Het liedje ‘deze vuist op deze vuist’ van Ome Willem kreeg daar een heel andere betekenis.
Ik was een uitgesproken kakker. Ik heb weleens een uitstapje gemaakt richting de heavy’s door mijn haar lang te laten groeien en een spijkerjas met zo’n Arafat-sjaal te dragen, maar dat paste eigenlijk niet bij mij. Ik hulde mij liever in felgekleurde jassen. Ik herinner me nog dat ik een keer een examenfeest had en dat ik diezelfde dag nieuwe schoenen met kwastjes had gekregen. Die kakschoenen moesten natuurlijk direct aan. Het was die avond gezellig en de nodige drank werd genuttigd. Ik was een heel stuk van de film kwijt toen ik ’s ochtends mijn ogen opendeed, maar in één keer broodnuchter toen ik mijn splinternieuwe schoenen zag staan… onder de kots en zonder kwastjes! Ik wilde op dat moment even dat ik niet bestond.
Toen ik zeventien was, woonde ik in IJsselmuiden en mijn vriendin in Kampen. Ik moest elke zaterdagnacht de brug over om naar huis te gaan. Om eerlijk te bekennen voelde dit ritje over de IJssel als een enorme hindernis. Vaak als ik de brug op fietste, zag ik in de verte wat lallende heavy’s strompelen die van de Buitenwacht richting de stad liepen. Als het me midden op de brug dan al bijna dun door de broek liep, was er gelukkig altijd wel een die mij kende en liep het met een sisser af. En dat is maar goed ook, want mijn mond is altijd groter geweest dan mijn spierballen.
Wat ik mooi vind om te zien is dat de grote verschillen van vroeger vervagen als je ouder wordt. Het gaat op mijn leeftijd niet meer om de ‘survival of the fittest’ en het stoer doen om indruk te maken. De meesten krijgen kinderen en je komt elkaar tegen op het voetbalveld en tijdens de bandjesavond in de Kamper binnenstad. Met degene, van wie je vroeger een klap voor je kanis kreeg, zit je nu gezellig een kopje koffie te drinken in de kantine van de voetbalclub. De scherpe randjes gaan er in de loop der jaren vanaf. Maar de herinneringen blijven fier overeind. Gelukkig wel…

