(door Iet Erdtsieck)
Misdaden, waaronder moord en doodslag zijn al zo oud als de wereld. In de afleveringen Kamper Moordenaressen worden moorden en doodslagen vermeld die door zeventien vrouwen zijn gepleegd in Kampen. Bij een enkele vrouw konden deze feiten niet worden bewezen of bleef het bij een poging tot moord. Dit alles speelde zich af in de stad Kampen en wel in de jaren 1492-1974. Ook daarna, in 1998, poogde een vrouw haar ex-man om te brengen, maar om redenen van privacy wordt deze zaak niet uitgewerkt.
Grete Geertsdochter
In 1492 kreeg Grete Geertsdochter, die ongehuwd was, in grote eenzaamheid een kind. Grete verstikte het direct na de geboorte. Zij verstopte het lijkje onder haar bed, maar zag na acht dagen in dat ze het dode kind moest begraven. Het dode kind werd ontdekt en Grete werd gehoord, berecht en ter dood veroordeeld. Zij had, zoals bleek uit een latere bekentenis nog twee kinderen gedood. Als een vorm van genade werd zij onthoofd. Haar lichaam werd, ter afschrikking, verbrand.
Anna Halve Tonge
Ook Anna Halve Tonge pleegde, in 1535, moord of doodslag op haar pasgeboren kind. Zij legde het dode kind bij het vuilnis. Toen dit was ontdekt wilden de stokmeesters weten hoe de baby was gestorven. Maar Anna kon dit niet zeggen, ook niet nadat zij langdurig was gemarteld. Zij zei niet te weten of zij haar kind had omgebracht, omdat zij tijdens de geboorte een aanval van vallende ziekte had gekregen. Na zes dagen gepijnigd te zijn zonder dat er een bekentenis was losgekregen, werd ze uit de gevangenis ontslagen en verbannen uit de stad tot op een mijl afstand. Bovendien moest zij de oervede doen. Dat was een belofte dat zij de stad en haar inwoners geen kwaad zou doen. Een verbanning buiten de stad betekende dat iemand al zijn/haar bezittingen moest achterlaten en zonder bescherming van de stad moest zien te overleven. Vaak konden de bannelingen zich dan ook alleen staande houden door zich aan te sluiten bij rondtrekkende bendes. Deze bendes beroofden en moorden om in leven te blijven.
Griete Reijncz
Griete Reijncx trof in 1544 een zwaarder lot. Zij werd geradbraakt. In die tijd vast wel terecht. Zij had namelijk haar buurvrouw, Cathrine Cornelijs, die lag te slapen met een bijl de hersens ingeslagen. Waarbij zij en passant het kind van van Cathrine eveneens vermoordde. Het was een brute roofmoord. Griete Reijnicx wist namelijk dat haar buurvrouw wat geld had. De lichamen verborg Griete onder haar bed. Nadat zij de ledematen van de lichamen had afgesneden, wierp zij de rompen en andere lichaamsdelen op verschillende plekken in de Burgel. Dat was niet erg handig van haar, omdat ze de bijl, waarmee zij de moorden had bedreven, eerder had geleend bij een buurvrouw. Nadat Griete de dubbele moord had bekend werd zij, zoals gezegd, geradbraakt, met de dood tot gevolg
Ariaen Jacobsdochter
Ook Ariaen Jacobsdochter bracht het er in 1585 niet levend vanaf. Zij doodde haar pasgeboren kind en werd als straf gewurgd. Dat wurgen geschiedde aan de paal. De vrouw zat of stond tegen de paal en de beul trok een koord om haar nek steeds strakker aan met de dood tot gevolg.
Deze vier vrouwen pleegden gedurende een kleine eeuw een moord of een doodslag. Het was kennelijk een tijd vol van agressie, want in genoemde tijdsperiode pleegden 14 mannen een moord en werden er zes veroordeeld voor doodslag. De doodslagen door mannen waren vaak het gevolg van uit de hand gelopen (echtelijke) ruzies, de moorden werden meestal gepleegd na berovingen en verkrachtingen.
Volgende maand komen de moorden en doodslagen gepleegd door Annegien Peters, Annegien Harms en Aeltien Goosens aan de orde.

