(door Iet Erdtsieck)
Misdaden, waaronder moord en doodslag zijn al zo oud als de wereld. In de komende bijdragen van Iet Erdtsieck aan De Brug worden moorden en doodslagen vermeld die door zeventien vrouwen in Kampen zijn gepleegd. Bij een enkele vrouw konden deze feiten niet worden bewezen of bleef het bij een poging tot moord. Dit alles speelde zich af in de stad Kampen en wel in de jaren 1492-1974. Ook daarna, in 1998,poogde een vrouw haar ex-man om te brengen, maar om redenen van privacy wordt deze zaak niet uitgewerkt.
Ongetwijfeld zijn er in Kampen meer moorden gepleegd, die niet zijn ontdekt en als ongelukken zijn afgedaan. Die vallen buiten dit bestek. Wel worden in deze afleveringen mannen betrokken, niet bij naam maar per moord of doodslag. Omdat altijd de vraag onontkoombaar is of mannen en vrouwen even gewelddadig zijn. Daarom is, ter vergelijking, ook het aantal moorden en doodslagen opgenomen die mannen in dezelfde tijd begingen. Een ander punt is bij welke gelegenheid vrouwen tot moord overgingen en welk wapen ze gebruikten. En of een bepaald delict, zoals kindermoord, in een bepaalde tijd plaatsvond. Moorden die men ontdekte, werden bestraft door de overheid. Deze overheid bepaalde of de verdachte vrouw schuldig was. Was de misdaad bewezen, dan bepaalde de overheid de hoogte van de straf en de wijze waarop de straf werd uitgevoerd.
In de vijf beschreven eeuwen veranderde het strafrecht ingrijpend. Vooral toen in de Napoleontische tijd (1795-1813) het Wetboek van Strafrecht werd ingevoerd. Daarvoor kende Kampen haar eigen rechtspraak, waarin een bekentenis ook door marteling verkregen kon worden. De doodstraf was het uiterste middel om iemand te bestraffen. De onthoofding was de snelste straf, tenminste als de beul niet dronken was en het hoofd er in eenmaal afsloeg. Daarnaast kon de schuldige worden opgehangen, gewurgd, geradbraakt, levend verbrand of in de IJssel worden geworpen.
Marteling was toegestaan. Men martelde om een bekentenis te verkrijgen. Deze eventuele bekentenis werd genoteerd door de jongste van de drie secretarissen die de stad telde. Twee leden van de raad, stokmeesters geheten, sloegen of trokken letterlijk de bekentenis uit iemand. Een functie die overigens rouleerde. De bekentenis werd in de voltallige raad van Kampen besproken. Bij de berechting van een moord had ook de schout (politiecommissaris), als vertegenwoordiger van de landsheer, inspraak. Als men tot overeenstemming was gekomen over de bestraffing, dan stelde men deze uitspraak op schrift. De moordenares werd uit de kerker gehaald en lazen de stokmeesters haar het vonnis voor. Het vonnis werd nog dezelfde dag in het openbaar voltrokken.
Onder dit (middeleeuws) regiem werden negen moordenaressen, onder wie een enkele vrouw die niet opzettelijk een moord had gepleegd, berecht. Het waren Grete Geertsdochter, Anna Halve Tonge, Griete Reijncx, Ariaen Jacobsdochter, Annegien Peters, Annegien Harms, Aeltien Gosens, Wilhelmina Frericks en Hendrikje de Bonde. Zij pleegden hun misdaad, respectievelijk in 1492, 1535, 1544, 1585, 1631, 1682, 1686, 1711 en 1762.
Kees Schilder en Gerrit Eijlander bewerkten de boeken waarin de wandaden zijn opgetekend. Schilder bewerkte de periode 1492-1689 en Eijlander deed hetzelfde over de periode 1638-1807. Zij zijn dus in die tijd mijn voornaamste bronnen.
In latere tijden bieden de politie- en rechterlijke archieven, kranten en literatuur informatie. De overheid spande tussen 1844 en 1974 rechtszaken aan tegen Louise Hoekstra, Hendrika Klomp, Marlena van de Heijde, Margje Flier, Fenneke Bomhoff, Maria V. en Jacobje van S. De delicten werden achtereenvolgens gepleegd in de jaren 1844, 1869, 1878, 1879, 1949, 1974 (twee delicten). Er speelde nog een zaak in 1820 tegen ene Vrouw Ten Apel, die haar man zou hebben vergiftigd. Maar de man leefde nog en justitie kon niets bewijzen. Volgende maand worden een aantal moorden, gepleegd in de vijftiend en zestiende eeuw, voor het voetlicht gebracht.


Dario | zaterdag 13 februari 2016 11:05