Wie heeft er niet
gelegen
op het strandje bij de molen?
Wie heeft er niet
de zandkorrels
door z’n handen laten gaan
Wie heeft er daar geen
steelse blikken
geworpen
naar een ander en
de vlinders in zijn buik
gevoed
met wens en stille hoop
de zwoele zomerzon scheen zacht en
vlinders fladderden voorbij

