Ja ik ga er voor. Ik doe mee met het gesprek over de vraag of de schuifdeur van de supermarkt op zondag in beweging mag komen. De gemeente Kampen heeft het gesprek voor deze maanden gepland.
Ik moest er even aan wennen. Zou ik meehelpen het gesprek op te zetten. Ik ben opgegroeid in een cultuur dat je sommige dingen onbesproken laat, omdat tekst bij een idee kans geeft op veranderingen. En die veranderingen hoeven niet altijd de kant op te gaan die je past. Alles willen benoemen is iets voor Hollanders, dachten we stiekem, en stilte is de stem van de streek.
Ik heb me over mijn aarzeling heen gezet. Tenslotte was het de politiek in Kampen die om dit gesprek met de samenleving heeft gevraagd. Maar er is nog een reden, waarom ik een publieke gedachtewisseling nuttig vind. Er zijn situaties waarin het woorden geven aan een standpunt kan helpen om onderling respect te voeden. Pas als je de ander kent, kan je de ander waarderen. Anderen worden van vreemdeling tot ‘goed volk’, zoals we dat plegen te zeggen.
Ik weet niet precies hoe de discussie over de openingstijden van supermarkten zal verlopen. Verschillende argumenten kan ik me indenken. ‘Zes dagen heb je om te werken’. En: ‘Waarom een ruimer beleid voor groot-geld-verdieners met hun landelijke vestigingen in Zaandam en Huizen, terwijl de kleine middenstanders uit Kampen zich nu al zes dagen twaalf uur een slag in de ronde werken om in de zwarte cijfers te blijven?’ Of andersom: ‘Je hebt in de samenleving servicebanen waarmee je mensen voorthelpt; dat geldt de buschauffeur, de ziekenverzorgster en dus ook de supermarktwerker’.
Breng die verschillende benaderingen maar eens verder voor het voetlicht. En probeer er vervolgens nog eens balans in te vinden. Het is ‘een teempelding’, zeggen ze in het Saksisch, een wankel evenwicht, een mikado-spel. Toch is dat de ambitie: balans vinden. En dat begint met iedereen ruim de mond te gunnen, zodat mensen zich kunnen uitspreken.
Ik ben opgegroeid op het Kampereiland. Daar heeft zich volgens de landbouwkundige ir. Dijksterhuis in de zestiger jaren een wonder voltrokken. Er kwamen tientallen Kamper koeburen naar het platteland die tussen de Eilander boeren een plek kregen. Dat was spannend. Ik hoor een oudere Eilander boer nog mopperen: “Als er bij die Kamper koeburen een kalf geboren wordt, gaan ze met de hele buurt aan de touwtjes trekken.” Het was een wat onwennige benadering om te zeggen, dat Kamper koeburen meer elkaar opzochten dan Eilander boeren. Maar uiteindelijk is het gelukt om saamhorigheid in de twee bloedgroepen te brengen. De sleutel voor de onderlinge afstemming? Niet over elkaar spreken, maar met elkaar.
Klaas van der Kamp

