Het was Prins Frederik der Nederlanden die als 19-jarige in 1816 grootmeester werd van Het Grootoosten der Nederlanden. Dus ook van de loge Le Profond Silence in Kampen. Deze loge, zoals alle loges in die tijd, bestond uit de elite van de stad. Toetreding kostte een kandidaat een vermogen.
De benoeming van Frederik (1797-1881) was een politieke benoeming. Zijn vader koning Willem I (zoon van stadhouder Willem V, die naar Engeland was gevlucht) zat nog niet erg zeker op zijn troon. Willem I zag het als een voordeel dat zijn zoon Frederik het hoofd werd van de toen invloedrijke vrijmetselarij, dat verstevigde zijn eigen positie als koning.
Prins Frederik leidde tot zijn dood in 1881 de Nederlandse vrijmetselarij. Hij was er een voorstander van dat vrijmetselaren zich hielden aan de eerste drie graden van leerling – gezel – meester en geen lid werden van graden die onder broeders hoger in aanzien waren maar die zich ook leenden voor ritualen waar de grootmeester minder invloed op had.
De vrijmetselarij is een ingewikkelde geestesbeweging, die zich onder andere baseert op het Oude en Nieuwe Testament. Simpel gezegd houdt de graad van leerling in dat men zichzelf leert kennen, de graad van gezel dat men oog heeft voor de ander en degene die de graad van meester bereikt zich richt op de Allerhoogste. De Allerhoogste is Elohiem voor de Joden, God voor de christenen en Allah voor de moslims. Bij de vrijmetselaren wordt de Allerhoogste de Opperbouwmeester des Heelals genoemd.
Het streven van de vrijmetselaar houdt in dat hij een beter mens wil worden. Vrijmetselaars zijn geen atheïsten en vaak lid van een kerkgenootschap, dat dan wel aan de ‘vrijzinnige’ kant is. Een orthodoxe Jood, christen of moslim zal geen lid worden van de vrijmetselarij. Hij ziet het vrije denken van deze groep en het in zijn ogen het te vrij omgaan met de bijbel als niet geoorloofd.
Grootmeester Frederik heeft bij mijn weten nooit de Kamper loge bezocht. Wel waren broeders uit Kampen aanwezig bij zijn uitvaart. Na zijn dood werd zijn neef Alexander (zoon van koning Willem III) twee jaar grootmeester van het Grootoosten. Prins Alexander stierf in 1884.
De Kamper loge telde in de jaren 1820-1850 onder haar leden veel officieren. Kampen was immers een garnizoensstad. Soms werden deze militairen op één avond ingewijd als leerling en tevens bevorderd als gezel en meester. Dit was streng verboden door de Orde. De loge omzeilde echter dit verbod door het hoofdbestuur te berichten dat iemand ‘op zijn vertrek stond’, dat wil zeggen dat een militair, zeeman of Oost-Indisch ambtenaar op zeer korte termijn moest afreizen. Voor de loge waren vooral de inwijdingen een lucratieve zaak. Voor een receptie betaalde een kandidaat in genoemde jaren ƒ49,-, waarvan slechts ƒ5,- aan het Grootoosten in Den Haag werd afgedragen. Omgerekend naar 2018 is dat een bedrag van €1.255,- .
In de volgende aflevering zal worden ingegaan op de bouwstukken (inleidingen) die de broeders voordroegen tijdens een bijeenkomst. Zij tonen een tijdsbeeld van hun tijd. Eveneens zal de rol van broeder (burgemeester) De la Sablonière worden belicht.

